Buitengewoon secundair onderwijs - Opleidingsvorm 3 - Burgerzin

Uitgangspunten

1 Kerngedachten

Overheid en samenleving doen vaak een beroep op het onderwijs om maatschappelijke verschijnselen en problemen aan de orde te stellen. Sinds jaren vragen maatschappelijke organisaties en belangengroepen de aandacht van de school voor thema’s zoals consumentenopvoeding, mondiale en staatsburgerlijke opvoeding. De druk op de scholen om dergelijke thema’s in het curriculum op te nemen is dan ook groot. In het buitengewoon onderwijs bestond reeds een lange traditie in maatschappelijke vorming. De algemene vorming heet daar dan ook algemene en sociale vorming. Voor de secundaire scholen voor buitengewoon onderwijs zijn deze ontwikkelingsdoelen dan ook geen nieuwe materie.

De ontwikkelingsdoelen ‘burgerzin’ zijn gericht op het ontwikkelen van het verantwoordelijkheidsgevoel. Het gaat hier om doelstellingen waarvoor de hele school verantwoordelijk is en waarvoor de school een voorbeeldfunctie vervult ten overstaan van de jongeren. In de school zullen met andere woorden een aantal voorwaarden moeten aanwezig zijn opdat de jongeren werkelijk kansen krijgen tot het ontwikkelen van burgerzin.

De scholen bepalen zelf hoe zij in hun plaatselijke organisatie en met hun eigen leraarsteam deze ontwikkelingsdoelen behandelen.

1.1 Burgerzin

Burgerzin is open staan voor het politieke, economische, sociale en culturele leven van de maatschappij waarvan men deel uitmaakt en bereid zijn om eraan deel te nemen. Burgerzin veronderstelt inzicht in deze vier aspecten evenals in de elementaire regels die aan de basis liggen van onze rechtsorde en van ons democratisch bestel.

Een belangrijk element van burgerzin ligt vervat in de mensenrechten en vrijheden, zoals ze in de grondwet en in diverse charters zijn vastgelegd.

Burgerzin veronderstelt:

  • het bewustzijn te behoren tot een gemeenschap van burgers met rechten en plichten, inclusief de verantwoordelijkheden en de taken die eruit voortvloeien
  • de bereidheid die rechten te eerbiedigen en die verplichtingen na te komen
  • initiatief tot het dragen van verantwoordelijkheid
  • de bereidheid tot het verwerven van attitudes als verdraagzaamheid, rechtvaardigheidsgevoel, oog voor het algemeen welzijn, samenwerkingsbereidheid en verantwoordelijkheidszin.

1.2 Opvoeden tot burgerzin

Opvoeden tot burgerzin heeft tot doel jongeren te vormen tot kritische burgers, die bereid en bekwaam zijn tot constructief denken en handelen in de democratische rechtsstaat.

Opvoeden tot burgerzin omvat het bijbrengen van feiten en inzicht in verband met:

  • de economische, sociale en culturele realiteit
  • de mechanismen die deze realiteit bepalen en tot gevolg hebben
  • de politieke besluitvorming die kan aangewend worden om in deze realiteit in te grijpen en dit op alle niveaus van de gemeenschap
  • het gevoelig maken voor waarden van het democratisch bestel
  • het inoefenen van een bekwaamheid om de genoemde kennis, inzichten en waardegevoeligheid in het eigen leven gestalte te geven

1.3 De burger en het democratisch samenleven

De toenemende complexiteit van onze samenleving stelt morele eisen aan alle burgers. In de eerste plaats wordt een hoge mate van gevoeligheid vereist voor en inzicht in de problemen die de burgers ervaren. Deze probleemgevoeligheid vergt begrip, inzicht en bereidwilligheid tot persoonlijke inzet.

In de tweede plaats wordt een ontwikkelde opinievorming vereist. De burger moet stelling kunnen nemen ten aanzien van voorstellen die worden aangeboden om bestaande problemen te verhelpen.

In de derde plaats moet hij kunnen deelnemen aan een pluralistisch debat. Daartoe moet hij kunnen aanvaarden dat anderen andere stellingen innemen. Hij zal deze andere stellingen niet meteen afwijzen maar ze eerst kritisch naar waarde schatten. Als hij er toch niet mee kan instemmen, zal hij dit voor zichzelf en voor anderen zo duidelijk mogelijk verantwoorden. Bovendien zal hij dulden dat anderen een soortgelijke kritiek uitoefenen op zijn eigen stellingen. Het pluralistisch debat vereist van de deelnemers een hoge mate van verdraagzaamheid.

Op sociaal cultureel en economisch vlak wordt zowel van mannen als van vrouwen op dit ogenblik een grote flexibiliteit verwacht. Vaste patronen liggen veel minder voor de hand. Dit uit zich in verschillende levensgebieden zoals opleiding en studiekeuze, beroepsactiviteiten, betaalde en onbetaalde arbeid, taakverdeling in het gezinsleven, engagement in het sociale en politieke leven. Door het wegvallen van deze patronen wordt het dagelijks leven complexer voor heel wat mensen en dringt het maken van keuzes zich permanent op.

Tenslotte evolueert de Vlaamse samenleving onomkeerbaar naar een multiculturele samenleving. Kinderen, jongeren en volwassenen zullen, vanuit een houding van wederzijds respect, vaardig moeten worden om de uitdagingen die het multicultureel samenleven meebrengt, aan te kunnen en positief aan te wenden.

Opvoeding tot burgerzin heeft de bedoeling elke jongere te vormen tot een democratisch denkende, voelende en handelende persoon. Dit omvat onder meer de volgende aspecten:

  • emancipatorisch: elke jongere opleiden tot zelfstandigheid en mondigheid
  • maatschappelijk: de betrokkenheid van elke jongere bij het sociale gebeuren bevorderen
  • ethisch: jongeren vormen tot openheid voor en vaardigheid in waardeanalyse en waardeverheldering.

2 Domeinen

Het doel van opvoeden tot burgerzin is de verwerving van een aantal competenties die jongeren in staat stellen op een constructieve en kritische wijze deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Jongeren worden vertrouwd gemaakt met een aantal verschijnselen en mechanismen uit volgende maatschappelijke velden:

  • het politieke en juridische veld waarbij onder meer de aspecten macht, overleg, belangenbehartiging, besluitvorming, instellingen en procedures aan de orde zijn;
  • het sociaal economische veld waarin onder meer aandacht is voor arbeid, handel en welvaart;
  • het sociaal-culturele veld waarbij onder meer aspecten van vorming, vrije tijd, gezins- en groepsvorming worden belicht.

Deze drie maatschappelijke velden vormen het raamwerk waarbinnen een keuze voor specifieke inhouden en situaties wordt gemaakt. Deze inhouden en situaties die men in het onderwijs aangrijpt om te werken aan burgerzin en maatschappelijke vorming, dienen zoveel mogelijk betekenis te hebben voor de jongeren zelf.
Daarnaast wordt ook expliciet aandacht besteed aan het ontwikkelen van competenties in het omgaan met anderen. Tenslotte wordt reeds in het lager onderwijs een begin gemaakt met het ontwikkelen van weerbaarheid tegenover reclame en media.

De ontwikkelingsdoelen worden geordend in volgende domeinen:

  • de eigen leefkring
  • media
  • overheidsdiensten
  • democratische vormen van bestuur
  • actief burgerschap en besluitvorming
  • mensen- en kinderrechten
  • maatschappelijk bewustzijn
  • maatschappelijke dienstverlening.
     

Ontwikkelingsdoelen

1 Burgerzin

1.1 De eigen leefkring

  1. De leerling weet dat iedereen rechten en plichten heeft.

  2. De leerling illustreert concreet aan de hand van leefregels en reglementen zijn rechten en plichten.

  3. De leerling houdt zich aan de normale verplichtingen in diverse situaties.

  4. De leerling kent de functies en verantwoordelijkheden van al wie bij de school en de opleiding betrokken is.

  5. De leerling maakt op een sociaal-aanvaardbare wijze gebruik van de middelen die er bestaan om vragen, problemen, ideeën of meningen kenbaar te maken.

  6. De leerling is gepast solidair met de groep.

  7. De leerling is bereid zich in te zetten voor solidariteits- en andere acties in de klas, op school en in de ruimere leefomgeving.

  8. De leerling gaat op een verdraagzame manier om met verschillen in sekse, huidskleur, etniciteit, geaardheid, overtuiging en levensbeschouwing.

  9. De leerling heeft begrip voor verschillende gezinsvormen en gezinsculturen.

  10. De leerling weet waar hij terecht kan bij problemen in eigen leefkring.

1.2 Media

  1. De leerling kent verschillende vormen en maatschappelijke contexten van media.

  2. De leerling illustreert de invloed van de media op zijn eigen denken en handelen.

  3. De leerling kent de mogelijkheden en het gebruik van de media.

  4. De leerling kan een kritische houding aannemen ten aanzien van allerlei vormen van berichtgeving.

  5. De leerling zoekt een eigen weg in de informatiestroom.

1.3 Overheidsdiensten

  1. De leerling kent de voornaamste functies en het noodnummer van de hulpdiensten.

  2. De leerling weet wat te doen bij vaststelling van diefstal, schade, ruzie, ….

  3. De leerling weet wat te doen bij onmiddellijke inning of proces verbaal bij overtredingen.

  4. De leerling weet wat een strafregister en een bewijs van goed gedrag en zeden is.

  5. De leerling kent de voornaamste bevoegdheden van het vredegerecht, de jeugdrechtbank,….

  6. De leerling kent de weg naar de rechtshulp.

  7. De leerling kent de verantwoordelijkheden als meerderjarige.

  8. De leerling weet welke gebeurtenissen men moet laten registreren en bij welke overheidsdienst: geboorte, huwelijk, scheiding, overlijden, verhuizen, ….

  9. De leerling weet wat er moet en kan gebeuren bij het aangaan van een huwelijk of andere samenlevingsvormen.

  10. De leerling weet wat er moet en kan gebeuren bij het alleen wonen en het samenwonen.

  11. De leerling kent de functie van de ombudsdiensten van de overheid.

1.4 Democratische vormen van bestuur

  1. De leerling legt op eenvoudige wijze de basiselementen van het functioneren van ons democratisch bestel uit.

  2. De leerling kent zijn verplichtingen inzake verkiezingen.

  3. De leerling weet dat er verschillende partijen zijn met een eigen programma.

  4. De leerling legt uit hoe een overheid haar inkomsten verwerft en hoe ze die inkomsten aanwendt.

  5. De leerling beseft dat elk beleid voor een beslissing rekening moet houden met ideeën en belangen van diverse betrokkenen, van meerderheids- en ook van minderheidsgroepen.

  6. De leerling heeft noties van het feit dat politieke beslissingen zoals in onderwijs en jeugdbeleid, hun leven rechtstreeks kunnen beïnvloeden.

  7. De leerling kent mogelijkheden tot inspraak en is bereid hieraan deel te nemen.

  8. De leerling is bereid beslissingen die volgens democratische procedures zijn genomen te aanvaarden.

  9. De leerling kent het verschil tussen democratie en andere vormen van bestuur.

1.5 Actief burgerschap en besluitvorming

  1. De leerling benoemt meerderheid‑ en minderheidstandpunten.

  2. De leerling weegt verschillende belangen op korte en langere termijn af.

  3. De leerling is in staat om voorstellen of argumenten genuanceerd te benaderen.

  4. De leerling spant zich in om de belangstelling, de standpunten en de argumenten van anderen te respecteren.

  5. De leerling kent vakbonden, werkgeversbonden en mutualiteiten.

1.6 Mensen- en kinderrechten

  1. De leerling herkent schendingen van kinder- en mensenrechten, vooroordelen en discriminerend optreden bij zichzelf, bij anderen en in de media.

  2. De leerling brengt respect op voor de kinder- en mensenrechten.

  3. De leerling is bereid zich actief en opbouwend in te zetten voor de eigen rechten en die van anderen overeenkomstig de principes van de mensenrechten.

  4. De leerling kent de voor hem relevante aspecten van de sociale wetgeving en het arbeidsrecht.

1.7 Maatschappelijk bewustzijn

  1. De leerling kan solliciteren.

  2. De leerling ziet het belang in van maatschappelijk relevante formulieren en procedures.

  3. De leerling gaat adequaat om met maatschappelijk relevante formulieren.

  4. De leerling past maatschappelijk relevante procedures toe.

1.8 Maatschappelijke dienstverlening

  1. De leerling zet zijn eigen wensen of behoeften om in hulp- en informatievragen.

  2. De leerling kent en respecteert maatschappelijke diensten.

  3. De leerlingen durft een beroep doen op maatschappelijke diensten en durft zich zo nodig weerbaar opstellen.

  4. De leerling is vertrouwd met hulplijnen en lagedrempelvoorzieningen in zijn buurt.

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 19.04.2002 en bij decreet van 19.07.2002.