Buitengewoon secundair onderwijs - Opleidingsvorm 3 - Lichamelijke opvoeding

Uitgangspunten

1. Kerngedachten

Lichamelijke opvoeding (LO) wil een bijdrage leveren tot een harmonieuze opvoeding van de jongere en hem stimuleren tot levenslange bewegingsdeelname. De motorische vormingscomponent van de persoonlijkheid komt hier uitgebreid aan bod. Daarnaast bieden de lessen LO kansen tot waardeopvoeding waarbij het lichamelijk en geestelijk welbevinden een belangrijke plaats inneemt.

Meer dan in het gewoon onderwijs moet in het buitengewoon onderwijs gewezen worden op de voortdurende wisselwerking tussen de verschillende vormingscomponenten. Deze onderlinge beïnvloeding heeft rechtstreekse gevolgen voor het al dan niet bereiken van de doelstellingen.
De ontwikkeling van motorische competentie is afhankelijk van de cognitieve mogelijkheden, maar geeft op zijn beurt ook impulsen voor de intellectuele ontwikkeling. Deze invloed is er ook op de dynamisch-affectieve vormingscomponent. De betrokkenheid met het gebeuren is een belangrijke voorwaarde voor het bereiken van de gestelde doelen. LO laat jonge mensen groeien op motorisch, cognitief en sociaal-emotioneel vlak. Naast een bijdrage leveren tot de totale persoonlijkheidsontwikkeling op vlak van kunnen (motoriek), kennen (cognitief) en zijn (dynamisch-affectief), wil de LO zich richten op het ontwikkelen van de motorische competentie, een gezonde, fitte en veilige levensstijl, een positief zelfbeeld en een goed sociaal functioneren.

De ontwikkelingsdoelen steunen bovendien op vier krachtlijnen, die rechtstreeks te maken hebben met motorische activiteit, of beweging. Deze krachtlijnen zijn: het verantwoord en veilig bewegen, het zelfstandig leren van de beweging, het reflecteren over het bewegen en het verdiepen en verbreden van de motorische competenties.

1.1 Het verantwoord en veilig bewegen

Verantwoord en veilig bewegen houdt in dat de leerlingen in bewegingssituaties verantwoordelijkheid opnemen voor eigen en voor mekaars veiligheid door afspraken en regels na te leven. Ze kunnen bovendien het belang van veiligheidsafspraken toelichten en medeleerlingen in bewegingssituaties helpen en ondersteunen.

1.2 Het zelfstandig leren van de beweging

De leerlingen leren individueel en in groep zelfstandig eenvoudige taken in welbepaalde bewegingssituaties oplossen. Zij kunnen nagaan of ze daarbij al dan niet vorderingen maken.

1.3 Het reflecteren over het bewegen

De leerlingen kunnen op basis van een beperkt aantal afgesproken criteria bij zichzelf en anderen aangeven waarom een bewegingsopdracht wel of niet lukt

1.4 Het verbreden en verdiepen van motorische competenties

Dit verbreden en verdiepen verwijst naar het niveau van uitvoering en de graad van beleving en beheersing van motorische competenties die gepaard gaan met activiteitsdomeinen zoals gymnastiek, dans en lichaamsbeweging, zwemmen, atletiek, bal- en slagsport, spel en sportspel en andere sporten.

2. Ordeningskader

De ordening van de ontwikkelingsdoelen vertrekt vanuit het vakconcept LO. De ontwikkelingsdoelen worden geschreven met het oog op de ontwikkeling van volgende domeinen:

2.1 De motorische competentie

Onder motorische competentie verstaan we het uitbouwen van de bewegingsmogelijkheden rekening houdend met de fysieke mogelijkheden van de leerlingen. In het BuSO OV 3 wordt veel tijd besteed aan het verder ontwikkelen, het uitbreiden en het uitdiepen van motorische basisvaardigheden. Om dit te bereiken wordt aandacht besteed aan het onderhouden en verbeteren van basiseigenschappen zoals uithouding, kracht, lenigheid, snelheid en coördinatie. Motorische competentie omvat ook competenties voor verantwoord en veilig bewegen, het zelfstandig leren van de beweging, het reflecteren over bewegen en het verdiepen en verbreden van motorische competenties via diverse en aangepaste vormen uit de bewegingscultuur. Binnen de motorische component is de technische component erg belangrijk. In het BuO is het belangrijk dat daarnaast de dynamisch-affectieve component voldoende aan bod komt om LO niet te reduceren tot louter techniciteit.

De verschillende bewegingsdomeinen zijn een bron van inspiratie voor de inhoudelijke stoffering van de activiteiten, waarbij vreugdebeleving en succeservaring bij de leerling wordt nagestreefd. Verworven competenties worden overgedragen naar andere contexten en krijgen zo een transferwaarde.

2.2 Een gezonde, fitte en veilige levensstijl

Het betreft hier ontwikkelingsdoelen die jongeren toelaten om conditionele aspecten op te bouwen, te onderhouden en op te volgen. Bewegingsactiviteiten worden hier in het perspectief geplaatst van een gezonde levensstijl. Deze ontwikkelingsdoelen benadrukken ook het belang van hygiëne en veilig bewegen. De LO laat leerlingen de nodige attitudes verwerven om een gezonde, fitte en veilige levensstijl na te streven en te onderhouden. leerlingen leren risico’s voor gezondheid en veiligheid inschatten en vermijden. Het opbouwen van een attitude waarin bewegen een plaats krijgt in hun levensstijl is van grote waarde voor nu en later.

2.3 Een positief zelfbeeld en een goed sociaal functioneren

Via bewegingssituaties leren jongeren zichzelf en anderen kennen, accepteren en waarderen. Bij het uitvoeren van motorische taken leren ze samenwerken, elkaar helpen en steun verlenen. In de lessen LO wordt extra aandacht gegeven aan die activiteiten (spelen, sporten) waar de leerling goed in is, waarvoor een zekere aanleg aanwezig is en waarbij succesbeleving mogelijk is. Vreugde, fierheid, voldoening ervaren bij de eigen vorderingen doet het zelfvertrouwen toenemen. Tijdens groepsactiviteiten worden de leerlingen gestimuleerd om samen te werken, om elkaar te helpen en te waarderen. Het opbouwen van een positief zelfbeeld en het sociaal functioneren gaan hier hand in hand. Belangrijk in de les LO is dat de leerling in zijn totale persoon wordt aangesproken en benaderd, rekening houdend met zijn specifieke kwaliteiten.

Daarnaast biedt LO kansen tot een essentiële bijdrage op domeinen die rechtstreeks met de kwaliteit van het leven te maken hebben, niet alleen voor het heden, maar ook voor later en dit zowel op professioneel vlak als daarbuiten.

 

Ontwikkelingsdoelen

Lichamelijke opvoeding

6.1 Algemene motorische competenties

  1. De leerling beheerst elementaire bewegingsvaardigheden zoals gaan en lopen, werpen en vangen, heffen en dragen, klimmen en klauteren, trekken en duwen, huppelen en springen, fietsen.

  2. De leerling ontwikkelt lichaamseigen basiscapaciteiten zoals lenigheid, snelheid, kracht, uithouding, weerstand.

  3. De leerling zet prikkels om in adequaat motorisch gedrag door een gepast antwoord te geven op auditieve, visuele en tactiele prikkels.

  4. De leerling ontwikkelt oog-handcoördinatie, oog-voetcoördinatie en bilaterale coördinatie.

  5. De leerling ontwikkelt evenwichtsgevoel op de grond en in de hoogte en behoudt of herstelt zijn evenwicht, stilstaand of in beweging.

  6. De leerling kent zijn lichaamsschema.

  7. De leerling beheerst de techniek om zich te ontspannen en zijn vormspanning te verbeteren.

6.2 Specifieke motorische competenties

6.2.1 Dans en lichaamsbeweging

  1. De leerling is bereid tot en durft zich uit te drukken door middel van lichaamsexpressie.

  2. De leerling voert een opgelegd ritme met handen, voeten, heupen uit en zet een ritmische beweging verder.

  3. De leerling voert een passenstructuur op een muzikale achtergrond uit.

  4. De leerling voert verschillende dansvormen uit.

  5. De leerling voert een opgelegde beweging gecontroleerd uit op aangeboden muziek.

  6. De leerling geeft uitdrukking aan verschillende stemmingen via lichaams-expressie.

6.2.2 Zwemmen

  1. De leerling overwint tijdens de watergewenning zijn waterangst.

  2. De leerling maakt zich een elementaire zwemstijl eigen.

  3. De leerling past de aangeleerde technieken van gevorderd zwemmen creatief toe in verschillende situaties (crawl, schoolslag, rugslag).

  4. De leerling springt en duikt en zwemt onder water.

  5. De leerling zwemt een opgelegde afstand om een brevet te behalen.

  6. De leerling verwerft de vaardigheden voor reddend zwemmen.

6.2.3 Atletiek

  1. De leerling voert een spurt en duurloop uit.

  2. De leerling kan ver- en hoogspringen.

  3. De leerling ontwikkelt werpen en stoten in progressie.

6.2.4 Bal- en slagsporten

  1. De leerling neemt deel aan bal- en slagsporten zoals voetbal, basketbal, volley(net)bal, handbal, badminton, honkbal, tennis, tafeltennis, unihoc.

  2. De leerling voert de specifieke basistechnieken uit eigen aan de verschillende bal- en slagsporten, individueel, met partner(s) en in groepsverband.

  3. De leerling verwerft speltechnische en tactische inzichten.

  4. De leerling speelt een wedstrijd, rekening houdend met afgesproken spelregels.

6.2.5 Spel- en sportspelen

  1. De leerling verwerft de vaardigheden om zich te bewegen in ruimte en tijd die fundamenteel nodig zijn voor deelname aan spel- en sportspelen zoals tikspelen, loopspelen, balspelen, reactiespelen, estafettespelen, coöperatieve spelen.

6.2.6 Alternatieve – natuurgebonden sporten

LO leert jongeren ook respectvol omgaan met de natuur en het milieu. Daarom is het hier ook wenselijk ontwikkelingsdoelen te selecteren uit de rubriek milieueducatie.

  1. De leerling neemt op een volwaardige wijze deel aan een beperkt aantal complementaire sporten of sportdisciplines zoals bowling, minigolf, schaatsen, paardrijden, petanque, muurklimmen, wielrennen, frisby, krachtbal, squash, fitness, aerobic, verdedigingssporten, gevechtssporten.

  2. De leerling brengt bij sportbeoefening in de natuur voldoende respect op voor de natuur om haar niet te schaden.

6.3 Gezonde en veilige levensstijl

LO leert jongeren ook een gezonde levensstijl aan en werkt aan hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarom is het wenselijk ook ontwikkelingsdoelen te selecteren uit gezondheidseducatie. De volgende aspecten dienen hierbij aan bod te komen:

  • fitheid;

  • hygiëne;

  • veiligheid.

6.4 Zelfbeeld en sociaal functioneren

LO draagt bij tot het verwerven van een positief zelfbeeld en de verbetering van het sociaal functioneren van de jongeren.  Daarom is het wenselijk ook ontwikkelingsdoelen te selecteren uit sociaal-emotionele educatie.

De volgende aspecten moeten hierbij aan bod komen:

  • realististisch zelfbeeld;

  • sociale relaties.

 

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 19.04.2002 en bij decreet van 19.07.2002.