Buitengewoon secundair onderwijs - Opleidingsvorm 3 - Milieueducatie

Uitgangspunten

1. Kerngedachten

Milieueducatie heeft tot doel het milieubewustzijn te verhogen. Dit levert een fundamentele bijdrage tot duurzame ontwikkeling. De basis hiervan ligt in de verdere ontwikkeling van kennis en inzicht in de relaties tussen mens en milieu. Hierdoor kunnen in het BuSO OV 3 de mens - milieurelaties die reeds in de wereldoriëntatie van het basisonderwijs geëxploreerd werden met een grotere complexiteit aan bod komen. Er wordt rekening gehouden met sociale, culturele, economische en ecologische aspecten, waarbij verschillende andere opvoedingsdomeinen bijdragen kunnen leveren. Het geheel van deze benadering leidt tot duurzame ontwikkelingseducatie. Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.

Bewust ecologisch handelen berust op het beheersen van diverse vaardigheden, zowel technische als sociale en communicatieve en is gebaseerd op waardevorming. Dit betekent dat een kritische houding ontwikkeld wordt ten opzichte van het eigen gedrag en dat van de medemens om een duurzaam milieu te behouden of te realiseren. Vooral ervaringsgericht leren en participerend leren verhogen de motivatie, de beleving, het emotioneel engagement, het zich welbevinden, de effectiviteit van het leerproces en het ethisch bewustzijn. Dit moet tot uiting komen in de schoolcultuur. Het persoonlijk engagement en de groepswerking t.a.v. het leefmilieu uit zich door zorgbekwaamheid voor zichzelf, de andere en de leefomgeving. De zorg voor de leefomstandigheden binnen de school en thuis kunnen in een bredere ruimere context geplaatst worden. Dat kan via zorg voor het milieu, de landschappen en de natuur in een regionaal verband. Het toetsen van de verworven resultaten aan situaties buiten de eigen regio verruimt de ervaringswereld van jongeren.

2. Domeinen

De zorg voor het leefmilieu kan tot uiting komen door aandacht voor de natuur, het milieu en de mobiliteit. Door rekening te houden met de mogelijkheden van de leerlingen kan de selectie van de doelen verschillen. Toch dient er naar gestreefd te worden globaal een harmonieuze benadering van de mens ten opzichte van zijn omgeving te realiseren.

2.1 Natuurzorg

Bij natuurzorg gaat het om de niet-levende en de levende natuur zowel in landelijke, stedelijke als natuurlijke landschappen. Het gaat om creatieve natuurbeleving in een eigen regionale samenleving. Belangrijk is het besef dat natuurbeleving individueel en cultuurgebonden kan zijn. De school stimuleert leerlingen tot het aanvoelen van de waarde van persoonlijke natuurbeleving en het genieten van de natuur. Jongeren leren oog hebben voor de kwetsbaarheid van een natuurgebied en zijn bereid zich in te zetten om de waarde van een natuurgebied te behouden.

2.2 Milieuzorg

Milieuzorg op school biedt leerlingen de mogelijkheid om inzichten te verwerven en om ervaringen op te doen omtrent het milieuvriendelijk omgaan met middelen, grondstoffen en verbruiksgoederen. Milieuzorg op school betekent zowel milieu-informatie als milieu-actie waarbij leerlingen effectief de kans krijgen om in te grijpen in reële en voor hen vatbare milieusituaties.De school geeft de leerlingen de kans milieu-aspecten op school te identificeren en gericht te zoeken naar mogelijkheden om informatie in te winnen over het omgaan met middelen, grondstoffen en verbruiksgoederen. Ze moedigt leerlingen aan contacten te leggen met buitenschoolse instanties en laat ze meehelpen aan het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijsturen van een actieplan voor een zorgzaam en rationeel gebruik van middelen, grondstoffen en gebruiksgoederen.

Het streefdoel is dat leerlingen bereid zijn tot een duurzaam gebruik van grondstoffen, goederen, energiebronnen en vervoermiddelen. De school motiveert hen om planmatig mee te werken aan de uitvoering van een milieu-actieplan, zich te houden aan de afspraken overeengekomen in het milieu-actieplan en rekening te houden met verschillende standpunten bij het zoeken naar acties die bijdragen tot een duurzame oplossing voor een milieuprobleem.

2.3 Verkeer en mobiliteit

De school leert de leerlingen de vervoerswijzen af te wegen op basis van verschillende criteria. leerlingen krijgen mogelijkheden om mee te werken aan het opstellen en uitvoeren van een schoolvervoersplan. Ze nemen een gefundeerd standpunt in over mobiliteit en verkeersproblemen. Belangrijk is het ontwikkelen van een gedragspatroon waarbij individuele gemotoriseerde verplaatsingen beperkt worden en milieubewust gekozen wordt voor een passende vervoerswijze.De school zet leerlingen aan zich te engageren voor een preventief en sociaal verkeersgedrag.

Ontwikkelingsdoelen

Milieueducatie

7.1 Natuurzorg

  1. De leerling voelt de waarde aan van persoonlijke natuurbeleving en het genieten van de natuur.

  2. De leerling heeft oog voor de kwetsbaarheid van een natuurgebied.

  3. De leerling heeft weet van de oorzaken van natuurverontreiniging.

  4. De leerling werkt mee aan activiteiten die bijdragen tot het behoud of de verbetering van natuurlijke verscheidenheid aan levende wezens in de eigen leefomgeving.

  5. De leerling gaat respectvol en zorgzaam om met planten en dieren.

  6. De leerling geeft voorbeelden van tegenstrijdige belangen in verband met natuurbehoud.

7.2 Milieuzorg

  1. De leerling kan gericht zoeken naar informatie over het omgaan met middelen, grondstoffen en verbruiksgoederen en hun effect op het milieu.

  2. De leerling werkt mee aan een milieuzorgsysteem op school voor het zorgvuldig omgaan met energie, middelen, grondstoffen en verbruiksgoederen.

  3. De leerling geeft voorbeelden van oorzaken van lucht-, water- of bodemverontreiniging en geeft de gevolgen aan voor mens, plant en dier in de eigen leefomgeving.

  4. De leerling kent milieuvriendelijke energiebronnen.

  5. De leerling weet hoe elk individu en elk gezin vervuilt.

  6. De leerling kan afval sorteren.

  7. De leerling weet hoe men afval kan beperken en is bereid dit toe te passen.

  8. De leerling gebruikt bij voorkeur te recycleren producten.

  9. De leerling gaat zorgzaam om met schadelijke afval.

  10. De leerling gaat zorgzaam om met lucht, water en bodem in eigen omgeving.

7.3 Verkeer en mobiliteit

  1. De leerling kent milieubelastende en milieuvriendelijke vervoersvormen.

  2. De leerling weet dat verkeersproblemen en -oplossingen hun oorsprong vinden in maatschappelijke en individuele keuzes.

  3. De leerling weegt voor- en nadelen van verschillende vervoerswijzen af, met een voorkeur voor milieuvriendelijk vervoer.

  4. De leerling maakt veilig gebruik van eigen en openbaar vervoer.

  5. De leerling engageert zich voor een defensief en sociaal verkeersgedrag.

  6. De leerling is voorbereid op het theoretisch rijexamen.

 

Ontwikkelingsdoelen

Het buitengewoon onderwijs laat de leerlingen geen gemeenschappelijk leerprogramma doorlopen, maar zorgt voor een geïndividualiseerd curriculum dat aangepast is aan de noden en de mogelijkheden van elke leerling. Daarom selecteert het schoolteam de ontwikkelingsdoelen die het voor een bepaalde leerling of leerlingengroep wil nastreven. Deze selectie is een fase in de handelingsplanning.

Schoolteams kunnen ontwikkelingsdoelen selecteren uit:

  • de ontwikkelingsdoelen die voor een bepaalde opleidingsvorm zijn vastgelegd;
  • de eindtermen of ontwikkelingsdoelen van het gewoon basisonderwijs of het gewoon secundair onderwijs;
  • de ontwikkelingsdoelen die voor een andere opleidingsvorm zijn vastgelegd.

Besluit Vlaamse regering

De ontwikkelingsdoelen werden vastgelegd bij besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen van het gewoon basisonderwijs van 19.04.2002 en bij decreet van 19.07.2002.